Gesproken column Karin Amatmoekrim “Beladen Erfgoed”

Auteur Karin Amatmoekrim schrijft voor De Correspondent de serie Verzwegen Geschiedenis en verzorgde voor de expertmeeting op 20 september 2018 rond Beladen Geschiedenis van het Europees Erfgoedjaar een gesproken column.

“Toen ik nog studeerde, had ik een bijbaantje in een kroeg op de Amsterdamse Wallen. Het was een plek waar veel stamgasten kwamen. Hele uiteenlopende types, van studenten van het vlakbij gelegen Oudemanhuispoort tot ras-Amsterdammers die in plat Mokums om een kopstootje vroegen. Ook kwamen er veel mensen van buiten de stad, verwonderd of nieuwsgierig op zoek naar de weg. Aan hen wees ik aan; daar is the red light district, Rembrandtplein is die kant op, nee, we verkopen geen wiet.

Op een middag zetten zich twee vriendelijke jongens aan de toog, niet veel ouder dan ikzelf. Ze kenden de stad niet, en ze vonden alles even spannend en leuk. Ik tapte een biertje voor ze, en we praatten over hun plannen voor de nacht. Intussen nam een van de twee mij met grote interesse in zich op. En ik wist; hij gaat iets zeggen over mijn afkomst.

U moet weten, allochtonen hebben een zesde zintuig voor dit soort opmerkingen. We zien ze al van verre aankomen.

Inderdaad vroeg de jongen bij zijn volgende glas bier; ‘Zeg eens, waar kom jij eigenlijk vandaan?’

Die vraag vinden veel kleurlingen vervelend. En terecht. De meeste van ons zijn immers geboren en getogen in Nederland. Daar komt bij dat als zij op de vraag ‘waar kom je vandaan?’ antwoorden; ‘Uit Doetinchem’, de witte Nederlander daar doorgaans geen genoegen mee neemt. ‘Nee, waar kom je écht vandaan?’

Ik heb persoonlijk geen enkel probleem met die vraag. Maar dat is vooral omdat ik ook niet uit Nederland kom. Dus ik antwoordde de jongen aan de bar naar waarheid en zonder verbolgenheid over zijn vrijpostigheid; ‘Ik kom uit Suriname.’

Ik dacht dat ik daarmee zijn vraag voldoende had beantwoord, maar hij begreep me niet. ‘Uit Suriname?’ herhaalde hij verbaasd. ‘Maar… Daar komen toch zwárte mensen vandaan? Je weet wel, met van dat haar, met die kleine krulletjes?’
‘Die wonen er ook,’ antwoordde ik. ‘Ja maar,’ zei hij. ‘Jij ziet eruit alsof je uit Indonesië komt.’

Ik besefte dat hij, mijn landgenoot, mijn generatiegenoot, iemand die min of meer door hetzelfde onderwijssysteem als ik was gevormd, geen flauw idee had van onze geschiedenis. Omdat het een vriendelijke jongen was, ademde ik diep in, en vertelde hem in een notendop over Suriname. Dat het in Zuid Amerika ligt, hoe de oorspronkelijke bewoners nagenoeg uitgemoord werden. Hoe Nederland er tot slaaf gemaakte Afrikanen heen bracht, dat dit de mensen waren die hij nu kende als Surinamers, maar dat die natuurlijk oorspronkelijk van een ander continent kwamen. Hoe de slavernij uiteindelijk werd afgeschaft en er mensen uit India en daarna mensen uit Indonesië naar Suriname werden gebracht, om de plek van de slaafgemaakten op de plantages in te nemen. Hoe dit er uiteindelijk toe leidde dat er Surinaamse Nederlanders rondlopen, die eruit zien als ik.

En terwijl ik het vertelde, zag ik dat hij er niets van begreep. De geschiedenis was niet alleen te complex. Het was vooral ook te onbekend. Te ver van zijn bed.

Maar dat is natuurlijk juist het paradoxale; deze geschiedenissen zijn niet ver van zijn bed, noch zijn ze ver van het uwe. Mijn geschiedenis is niet die van Zuid Amerika, niet van Indonesië, niet van west Afrika. Het is boven alles de geschiedenis van Nederland. Want zonder Nederland waren mijn voorouders in Azië en in Afrika gebleven. Zonder deze Nederlandse geschiedenis was ik niet hier geweest.

En terwijl ik de jongen aan de bar in steeds grotere verwarring zag geraken, werd ik boos. Ik wilde hem bij zijn T-shirt vastpakken en in zijn gezicht schreeuwen; dit is jouw geschiedenis! Jouw voorouders hebben mijn voorouders verplaatst. Waarom weet je dit niet? Wat geeft jou het recht om hier, aan mijn bar, de vermoorde onschuld uit te komen hangen?

Maar in het open gezicht van de jongen zag ik dat zijn verwarring oprecht was. Zijn onwetendheid niet gespeeld.

Hoe kan je boos zijn op iemand die gevormd wordt in een systeem van incomplete kennis? Mijn antwoord was, op dat moment, dat ik het hem niet kwalijk kon nemen. Wij weten immers vaak niet méér dan wat aan ons verteld wordt.

Daar, in die Amsterdamse bar, speelde zich in het klein af wat er nu aan de hand is in ons hele land; een belangrijk deel van onze samenleving begrijpt de wereld op één bepaalde manier. En die manier is opgehangen aan de verbeelding van de geschiedenis die je misschien het beste kan vergelijken met een wandkleed. Een beeld van de westerse geschiedenis vervaardigd van het dikste gouddraad, de mooiste zijde, het zuiverste laken, ingelijst in het kostbaarste hardhout. We staan voor dat kleed en onze onderwijzers, onze historici, onze politici wijzen aan; dit zijn wij, zie je, de VOC. Prachtig, sterk, ondernemend, een mentaliteit die we ons moeten blijven herinneren. Kijk, dit zijn onze helden, Jan Pieterszoon Coen, Michiel de Ruyter.

Er zijn ook Nederlanders die weliswaar voor het wandkleed geleid worden, en opgeleid zijn binnen diezelfde canon, en de namen van de helden ook hebben moeten leren op school. Maar die zich tegelijkertijd bewust zijn van de achterkant ervan, waar de knopen zitten, de oneffenheden, de omleidingen van de draad die de gepolijste perfectie van de voorkant mogelijk maken.

En aan die achterkant van dat kleed zijn ándere helden weggewerkt. Boni, Joliecoeur, Tula, Anton de Kom. Mensen die zich verzet hebben tegen onderdrukking, tegen uitbuiting. Die zich inzetten voor vrijheid en gelijkheid. Mensen die hun leven gaven voor de vrijheid die wij nu voor vanzelfsprekend nemen. Mensen, ook, die samen met de schaamtevolle kanten van die geschiedenis werden uitgewist in het grote verhaal van Nederland.

Wij kennen die achterzijde, omdat wij daaruit voortkomen.

Hoe voeren we helden op wier daden soms in weerspraak zijn met de lofzang op koloniale grootheden? Hoe dichten we de afstand tussen die verschillende soorten Nederlanders? Op welke manier gaan we in ‘s hemelsnaam dat gesprek aan?

Misschien door het gewoon te doen.

Ik ging dat gesprek aan, in de bar in Amsterdam. Of het effect had op de ander, weet ik niet. Maar het zette mij aan het denken over hoe onwetendheid leidt tot onbegrip, hoe onbegrip misschien niet altijd voert naar haat, maar zelden aanleiding is voor liefde.

Daarom ga ik het gesprek na al die tijd nog steeds aan. In de serie ‘Verzwegen Geschiedenis’ (De Correspondent) schrijf ik dit jaar artikelen over beladen historische onderwerpen. Ik schreef bijvoorbeeld over Anton de Kom, de zwarte verzetsheld die zich uitsprak tegen het koloniale geweld en die daarom door de Nederlandse geheime dienst als staatsgevaarlijk werd aangemerkt. Die zich desondanks aansloot bij het verzet in de Tweede Wereldoorlog, en daags voor de bevrijding overleed in een Duits concentratiekamp.
Ik schreef ook over Sojourner Truth, een Nederlands sprekende slavin die zich in New York uitsprak voor de afschaffing van de slavernij en voor vrouwenrechten, ook voor vrouwen van kleur, een ongehoorde eis in de negentiende eeuw.
Ik schreef over het strafkamp in Boven Digoel, waar Nederland opstandige Indonesiërs opsloot zonder enige vorm van rechtsspraak, soms wel vijftien jaar lang, een kamp dat erop gebouwd was ongewenste elementen uit een samenleving te isoleren, desnoods te vernietigen, een plek die binnen de definities van een concentratiekamp valt, nog voordat de Nazi’s dit systeem perfectioneerden.

Het is bij vlagen afmattend om over dit soort zware onderwerpen te schrijven. Niemand dompelt zich immers zonder reden onder in gebeurtenissen van duisternis en pijn. Ik denk dat we allemaal een zekere weerstand moeten overwinnen, wanneer we stil staan bij historische momenten waarin het goede het verloor van de haat. Ik begrijp dus dat mensen het soms moeilijk vinden om het gesprek aan te gaan met elkaar. Maar in de vraag ‘Hoe ga je om met beladen geschiedenissen?’ zit ook vaak een emotie, een worsteling verborgen van de witte Nederlander die zich afvraagt in hoeverre er bij dit soort gesprekken sprake is van schuld. Wie gedwongen wordt stil te staan bij het Nederlandse slavernijverleden, vraagt zich niet zelden af of hij of zij schuld moet bekennen voor iets waar de voorouders misschien deel aan hebben genomen.

Ik kan die vraag niet voor u beantwoorden. Uw buurman kan dit ook niet voor u doen. We moeten allemaal zelf bepalen hoe we ons verhouden tot de geschiedenis. Feit blijft dat het verleden bepaald heeft hoe ons heden eruit ziet; welke privileges we genieten, welke mate van ontworteling we ondervinden, in hoeverre we ergens thuis zijn of niet. En misschien zijn die gesprekken zo zwaar, niet zozeer omdat het gaat over schuld of boete, maar omdat het gaat over verdriet en verlies. Over ontworteling, en over waar we thuis zijn. En uiteindelijk over wie wij zijn. Het zijn universele thema’s, die op ons allemaal betrekking hebben. Is dit immers niet een van de meest gestelde vragen van onze tijd; Wie zijn wij?

Nationale identiteit is niet voor niets een van de grootste politieke thema’s van onze generatie. Maar ik denk dat vragen als wie zijn we, en wie waren we, slechts een stap vooraf gaan aan de belangrijkste vraag;
Wie willen we zijn?

We moeten de beladen, verzwegen, vergeten, bedekte geschiedenissen ontsluiten voor de volgende generaties, niet alleen omdat juist die verhalen de bouwstenen van de wereld blootleggen, maar ook zodat de nieuwe generaties Nederlanders met elkaar het gesprek aangaan. En dan op een gelijkwaardiger manier dan zoals wij dat te vaak doen of hebben gedaan. We moeten van elkaar weten, omdat we al eeuwenlang, hoe je het ook wendt of keert, schuld of geen schuld, aan elkaar verbonden zijn.

Kennis van meer kanten van onze geschiedenis leidt tot inzicht, tot begrip en uiteindelijk tot empathie. En dat klinkt misschien als een linkse hobby, of een ideologie waarmee je nog geen deuk in een pakje boter slaat, maar het tegendeel is waar. Empathie is ons enige redmiddel in een tijd waarin complete landen op zoek zijn naar cohesie, een tijd als de onze, waarin Nederland snakt naar een idee van wat het betekent om Nederlander te zijn. Juist in een tijd van grote migratiestromen, van gevoeld gevaar van buitenaf, in een tijd waarin de wereld zo snel verandert dat onze natuur ons influistert om in godsnaam stevig vast te houden aan dat wat we wél kennen, aan dat wat vertrouwd is. Juist dan is het belangrijk om de angst het hoofd te bieden.

Als we eenmaal onder ogen zijn gekomen wie we zijn, alle donkere kanten incluis, en als we eenmaal begrijpen dat we zijn verworden tot een gekleurde samenleving, niet omdat ons dat is overkomen, maar omdat we daar ooit zelf richting aan hebben gegeven, dan kunnen we gaan nadenken over wie we willen zijn.

En dan kunnen we de vragen beantwoorden die ertoe doen.

Willen we dat onze kinderen elkaar op deze manier blijven ontmoeten; zoals de jongen bij mij aan de bar, jaren geleden? Dat uw zoon geen flauw idee heeft van belangrijke delen van de geschiedenis, dat mijn dochter boos, geïrriteerd, verdrietig, is, omdat in die onwetendheid zoveel afwijzing zit, omdat het betekent dat zij zichzelf en haar bestaan zal moeten blijven uitleggen? Niet alleen aan uw zoon, maar ook aan onze politici, die zonder blikken of blozen een samenleving waar mijn dochter deel van uit maakt, afwijzen?

Willen we zo’n soort land vormgeven? Dat we het succesvol samenleven laten afhangen van de mate van nieuwsgierigheid van onze kinderen, of van hun opvliegendheid dan wel vergevingsgezindheid?

Of doen we nu moeite om tot een gezamenlijk narratief te komen, iets waarin invoelbaar is gemaakt hoe we zijn gekomen tot het Nederland zoals het er nu uit ziet, een geschiedenis van pijn, inderdaad, maar ook van rijkdom in ideeën en culturen. Een van verzet en weerbaarheid. Een land, en dat is in elk geval mijn ambitie voor mijn kinderen en de uwe, waarin wij niet alleen de helden opvoeren die rijkdom hebben gebracht, maar ook helden die vrijheid, gelijkwaardigheid en menselijkheid hebben verdedigd. En waarin we erkennen dat zij niet zelden bruin en zwart waren, en dat zij tot het grote Nederlandse verhaal behoren, zoals u. En zoals ik.’